Trouw, Pieternel Gruppen, 22-5-2020

Vanstiphout werkt voor de Independent School for the City in Rotterdam en als hoogleraar aan de TU Delft. Wat hem hij veel meer interesseert, is wat het coronavirus in de stad heeft blootgelegd. “Laten we daar lessen uit trekken die langer meegaan en dieper zijn dan deze crisis.”

Deze weken heeft Vanstiphout zich vooral verbaasd over de kwetsbaarheid van met name ‘global cities’, steden die internationaal meetellen, bijvoorbeeld op economisch, technologisch of cultureel gebied. Steden als Parijs, Berlijn, Barcelona – maar ook Amsterdam en Rotterdam horen in dat rijtje. Global cities zijn ‘reuzen op lemen voeten’ gebleken, zegt hij. “Er hoeft maar iets te gebeuren of met donderend geraas storten ze in, ze zijn veel minder rekbaar dan ik dacht. Dat is wat ik van deze crisis heb geleerd.”

Competitie om aandacht

Volgens de hoogleraar zijn deze steden afgelopen jaren verwikkeld geraakt in een competitie om aandacht, om maar zo hoog mogelijk op de internationale ranglijstjes terecht te komen. Ze wedijveren met elkaar om zo veel mogelijk toeristen, expats, hoofdkwartieren van internationale bedrijven, festivals en grote evenementen binnen te halen. 

“Om de stad telkens te kunnen verkopen als een product aan de wereld zeggen politici in feite dat de bewoners van secundair belang zijn. Die houding heeft, denk ik, geleid tot een kwetsbare economie; zo’n stad moet namelijk altijd op het scherpst van de snede opereren. Met de kleinste marges, een flexibele arbeidsmarkt en woningmarkt trek je immers de hoofdkwartieren.”

Maar daardoor is de razend snel groeiende economie van die steden – die er van buitenaf fantastisch uitziet – van binnen heel broos op het moment dat het internationale verkeer stil valt. “Rotterdam is bijvoorbeeld te veel van fossiele industrie afhankelijk en Amsterdam van het internationaal toerisme.” Buffers zijn er te weinig opgebouwd, want alles was gericht op groei en competitie.

Zombiewijken

Het is niet voor niets dat juist bepaalde buurten in dit soort steden nu als zombiewijken aanvoelen. “Zo zie je nu duidelijk dat het oudste stukje van Amsterdam dat het geen buurt meer is, omdat het totaal is uitgewoond door toeristen.”

En dat terwijl het centrum van de stad van iedereen hoort te zijn, zegt Vanstiphout. “Maar als je de stad beschouwt als product dan is het centrum het duurste stuk, het neusje van de zalm van dat product, dat zo veel mogelijk geëxploiteerd moet worden.”

De coronacrisis is volgens de hoogleraar een uitgelezen kans om goed na te denken over de vraag wat een stad eigenlijk zou moeten zijn. “Wat mij betreft is dat in de eerste plaats een gemeenschap met genoeg veerkracht en improvisatievermogen; die het kan hebben als er veel mensen komen, maar het ook redt als die mensen weer gaan. Een gemeenschap die genoeg buffers heeft als er even een paar jaar minder geld verdiend wordt.”

Kleinschaliger leven

Vanstiphout hoopt dat de coronacrisis zorgt voor een emancipatie van de bevolking van global cities. “Dat bewoners zeggen: wij geloven even niet meer in het verhaal dat we aldoor moeten groeien omdat we anders verliezen. Dat ze zich afvragen: wat voor stad willen wij zelf?”

Het is een trend die in steden als Berlijn, Parijs en Barcelona al voorzichtig zichtbaar was voor de uitbraak van het coronavirus. “In Parijs zorgt de burgemeester dat de openbare ruimte in het centrum ook nadrukkelijk voor bewoners toegankelijk is. In Barcelona – ook heel inspirerend – komt de emancipatie meer van onderop. Daar gaan bewoners de straat op om hun stad weer terug te eisen van toeristen. Of denk aan Berlijn waar meer ruimte voor gezinnen is gekomen om samen kleinschalig woningen te bouwen.”

Kleinschaliger leven heeft Vanstiphout zichzelf ook voorgenomen. “De biënnale van Venetië – toch een beetje het songfestival van de architecten – gaat vanwege het coronavirus niet door. Daardoor realiseerde ik mij opeens dat ik sommige architecten die, net als ik, in Rotterdam wonen alleen maar in Venetië tref. Dat is toch van de gekke!”